Goedgelovigheid en systeemgewenning

Sociaal zijn is een fundament van iedere samenleving. Het zit ingebakken in onze genen. Het is de reden waarom we niet standaard denken dat alles leugen en bedrog is. Integendeel, we gaan er juist van uit dat wat we lezen, horen en zien in beginsel waar is.

Dat is een kracht. Zonder vertrouwen zouden samenwerking, handel, vriendschap, wetenschap en democratie nauwelijks mogelijk zijn.

Tegelijkertijd is het een kwetsbaarheid. Eigenschappen die een samenleving sterk maken, kunnen ook worden misbruikt. Vertrouwen kan omslaan in goedgelovigheid. Aanpassingsvermogen kan omslaan in systeemgewenning. Wat onze kracht is, is tegelijkertijd onze zwakte.

Die twee valkuilen zijn benoembaar:

  • Goedgelovigheid.
  • Systeemgewenning.

Goedgelovigheid

Mensen zoeken betekenis, zekerheid, hoop, bevestiging en een verhaal waarin ze zichzelf herkennen. Die behoefte maakt verhalen krachtig.

Als iemand iets serieus zegt, gaan we er in eerste instantie van uit dat het waar is. Waarom zou iemand liegen? Vertrouwen is immers de standaard.

Mensen willen geloven.

Daardoor kunnen overtuigingen ontstaan die niet gebaseerd zijn op feiten en logica, maar op de aantrekkingskracht van het verhaal zelf. Wat prettig, geruststellend of herkenbaar voelt, wordt gemakkelijk voor waar aangenomen.

Systeemgewenning

Mensen passen hun gedrag aan het systeem aan waarin ze leven. Na verloop van tijd lijkt dat aangepaste gedrag vanzelfsprekend. Vervolgens wordt juist dat gedrag gebruikt als bewijs dat het systeem bij de mens past.

Als openbaar vervoer beperkt beschikbaar is en of onbetrouwbaar is, dan kopen we een auto. Het autogebruik wordt vervolgens aangevoerd als bewijs dat er eigenlijk weinig behoefte is aan openbaar vervoer.

Wie jarenlang alleen Windows gebruikt, ervaart alles wat anders is als onlogisch. Niet omdat Windows een vanzelfsprekende keuze is, maar omdat gewenning het vanzelfsprekend heeft gemaakt.

Zo worden oorzaak en gevolg omgedraaid: het gedrag rechtvaardigt niet het systeem, het gedrag wordt gevormd door het systeem. Dat geldt voor computers, maar ook voor democratie en autocratie.

Mensen die in een autocratie zwijgen en zich afzijdig houden, worden vervolgens opgevoerd als bewijs dat zij geen behoefte hebben aan politieke inspraak.

Als je Tweede Kamerleden aanschrijft, dan krijg je zelden antwoord. Na verloop van tijd leer je dat politieke betrokkenheid buiten verkiezingen nauwelijks zin heeft. Als burgers vervolgens afhaken, heet dat desinteresse. Maar die desinteresse ontstaat niet vanzelf: het is het gevolg van een regentencultuur waarin volksvertegenwoordigers de betrokkenheid van burgers nauwelijks beantwoorden.