Scheiding van staat en bedrijf
Het gesprek over digitale soevereiniteit loopt regelmatig vast omdat twee werkelijkheden door elkaar worden gehaald: die van de overheid en die van het bedrijfsleven. Zolang dat onderscheid niet expliciet wordt gemaakt, blijft alles klinken als ideologie of als onrealistisch projectdenken.
Het eerste schakelmoment is eenvoudig: wat voor de staat geldt, hoeft niet te gelden voor een bedrijf.
Voor de overheid is ICT geen gemak, maar onmisbare infrastructuur. Publieke data, publieke processen en publieke continuiteit kennen geen echte "exit". Een beetje omgekeerd gedacht, burgers kunnen niet overstappen naar een andere staat als een leverancier te duur wordt, zijn of voorwaarden wijzigt of onder een regime valt dat buiten democratische controle staat. En dus hoort de overheid nooit lock-in-constructies aan te gaan, nooit structureel afhankelijk te zijn van buitenlandse wetgeving en nooit cruciale functies uit handen te geven zonder een realistische ontsnappingsroute. Dat is puur staatsrechtelijke hygiëne waarvan iedereen doordrongen zou moeten zijn.
Voor bedrijven ligt dat anders. Ondernemingen mogen kiezen wat werkt. Ze mogen risico nemen, leveranciers vertrouwen, cloud gebruiken, overstappen of vastlopen. Dat is marktwerking. Als een bedrijf bewust data onder een buitenlands rechtsregime plaatst, is dat een zakelijke afweging. Vaak onverstandig, soms onvermijdelijk, maar altijd hun eigen verantwoordelijkheid. Vrijheid van handelen staat hierbij voorop.
Maar... er is een effect als de overheid lokaal zaken gaat doen, vaak vergeten en belangrijk: spin-off.
Als de overheid nu echt eens serieus haar eigen digitale infrastructuur organiseert - met open standaarden, echte exit-mogelijkheden, transparante architecturen en juridische autonomie - dan ontstaat er vanzelf iets wat ook buiten de overheid bruikbaar is. Geen papieren beleidskaders, maar werkende structuren. Software, kennis, leveranciers, hostingmodellen en Nederlandse/EU-clouds, support. Dingen die je als bedrijf ook kunt afnemen zonder een ideologische keuze te hoeven maken.
Dat effect blijft uit wanneer de overheid wel regels formuleert, maar zelf verzandt in unieke, onbruikbare of bureaucratische oplossingen. Dan ontstaat geen ecosysteem, geen leerervaring en geen overdraagbare praktijk. Het resultaat is een eiland. Nederland heeft dat eerder gezien: veel woorden, weinig doorzettingsmacht, en de foute gewoonte om dwarsliggers te laten zitten. Het ambitieuze actieplan Nederland Open in Verbinding uit 2008(!) is uiteindelijk verworden tot een pijnlijk voorbeeld daarvan.
Voor het MKB hoeft digitale soevereiniteit ondertussen geen groot project te zijn. Geen migratie in één klap. Geen zuiverheidsideaal. Gewoon laten zien wat kan. Linux waar het logisch is, een VM waar het moet. Open-source-software naast closed-source. Stapelbaar, begrijpelijk, zonder poespas.
In die zin is ons bedrijf (NedCAD) geen model, maar een goed praktijkvoorbeeld. Debian-servers. Linux-werkstations en laptops. Windows waar opdrachtgevers dat vereisen, uitsluitend via virtualisatie. Geen strijd, geen breuk, geen manifest. Gewoon keuzes maken die technisch kloppen en juridisch niet onnodig naïef zijn. Toegegeven, er zit een een snufje morele verplichting in verwerkt maar daar is helemaal niets mis mee.
Misschien is dat wel de kern: niet praten over soevereiniteit als doel, maar haar organiseren als bijproduct van normaal, degelijk handelen. Eerst bij de overheid, omdat die geen keuze heeft. En daarna, vanzelf, bij bedrijven die ontdekken dat het allemaal minder ingewikkeld is dan hun jarenlang is wijsgemaakt.